Kinderen met Downsyndroom hebben bijna allemaal een achterstand op het gebied van de spraakontwikkeling. Vaak komt de spraak/ taalontwikkeling laat op gang en is er moeite met de verstaanbaarheid, hoewel het taalbegrip er wél is.  “Er zit meer in dan eruit komt” hoor je dan vaak!

 De hoofdoorzaken van achterblijvende spraak en slechte verstaanbaarheid zijn:

  • Dysfatische ontwikkeling: De spraak,- en taalproductie blijven duidelijk achter ten opzichte van het taalbegrip en de non-verbale vaardigheden
    • Het taalbegrip is dus beter dan het spreken. 
    • Het spontaan spreken gaat beter dan het spreken op verzoek. (hierdoor worden kinderen met Downsyndroom ook vaak te laag ingeschaald bij testen, omdat deze kinderen op verzoek antwoord moeten geven in een testsituatie. 
    • geen vloeiende spraak, in combinatie met dyspraxie kan dit stottersymptomen geven. 
    • Het visuele geheugen voor taal is vaak veel beter dan, het (bij taal en spraak) meest gebruikte, auditief geheugen. 
  • Orale dyspraxie: stoornis in de planning en organisatie van complexe bewegingen in de mondmotoriek. 
  • Hypotonie: onvoldoende of wisselende spierspanning in mond en wangen. 

Door vroegtijdig inzetten van Early intervention en Nederlands met Gebaren zal een kind zich in ieder geval verstaanbaar kunnen maken voor het daadwerkelijk kan spreken. In overleg met ouders en kijkend naar wat bij het kind past zal ik “Leespraat,” “de Tan-Söderbergmethode,” “Totale Communicatie” of “Zeggen wat je ziet” inzetten om de spraaktaal ontwikkeling te bevorderen.